Vriendenkring Spinoza

De waarde van een vriendenkring werd door Spinoza hoog aangeslagen, vandaar deze titel. Dit blog wil het inzicht vergroten in het denken van Spinoza. Spinoza's opvattingen over mens en maatschappij zijn in onze tijd nog uiterst waardevol en actueel. 'Ik gaf mij geheel over aan de lectuur van Spinoza en dacht, terwijl ik in mijn eigen binnenste keek, nooit zo duidelijk de wereld te hebben gezien'. Goethe

Naam:
Locatie: Amsterdam, Netherlands

Sinds een aantal jaren een zeer grote interesse in Spinoza en zijn betekenis voor onze tijd, zowel zijn opvattingen over de mens als de maatschappij en de politiek.

30 september 2005

Essentie van Spinoza


De essentie van het denken van Spinoza Amsterdam september ’05

Op 24 november 1632 wordt Baruch de Spinoza in Amsterdam geboren, op de Houtgracht, als asielzoekerkind tweede generatie –zouden wij nu zeggen- uit zgn. Spaanse Maranen, Joden die vervolgd waren in Spanje, RK geworden, maar stiekem hun oude geloof beleden.
Vader koopman, handel op Portugal. Enz.
Moeder vroeg overleden, vader getrouwd met een zus van haar.

Spinoza, een zeer slimme jongen, groeit Joods op en bestudeert zowel Thora als Talmoed. Na het overlijden van zijn vader volgt hij hem samen met zijn jongere broer op in de handelsfirma.
In zijn vrije tijd leert Spinoza Latijn bij Franciscus van der Ende, een voormalig priester, daar ontmoet hij mensen van buiten zijn eigen cultuur, waar normaal gesproken weinig contact mee was omdat de Joden toen een afgesloten gemeenschap vormden, die bij elkaar woonden op Vloonburg, de zgn.Jodenbuurt.
De Joden hadden geen burgerrechten maar hadden naast gewoontes en tradities een goed stelsel van sociale vangnetten.
Joden waren hier te gast en werden geacht zich rustig te gedragen en geen aanstoot te geven door hun geloof. Zij waren zich daar zeer bewust van.

Hoewel er de laatste jaren veel biografieën over Spinoza zijn verschenen, is er toch in wezen weinig bekend over zijn leven, laat staan over zijn jeugd.
Vermoedelijk is Spinoza door zijn studie van het Latijn zodanig in aanraking gekomen met andere mensen en heeft hij zulke andere ideeën opgedaan, dat hij zich niet meer kon vinden in de eigen gemeenschap.
In 1656 wordt Spinoza uit de gemeenschap verwijderd d.m.v. een banvloek, dat betekende voor hem dat hij niet meer met zijn familie mocht omgaan en ook geen handel meer mocht drijven en niemand van de Joodse gemeenschap mocht nog omgang met hem hebben. (Nadler 190 e.v.)

Het schijnt dat Spinoza er niet echt een probleem mee had, want hij zou gezegd hebben dat hij nu van alles af was en zijn eigen gang kon gaan.
Hij stopte met de firma en ging filosofie studeren.
Daar naast ging hij lenzen slijpen, zowel om in zijn onderhoud te voorzien als uit wetenschappelijke belangstelling.

In die tijd omvatte filosofie min of meer de hele wetenschap.

We zijn exact op de hoogte waarom Spinoza zich tot de studie van de wetenschap wendde en we weten ook wat zijn doelstelling was.

In zijn voorwoord bij de (beoogde) uitgave van “ Verhandeling over de verbetering van het verstand en over de weg waarlangs dit het beste tot ware kennis der dingen kan geraken” schrijft hij:
‘Dat hij het idee had dat het najagen van rijkdom, eer en lust nooit tot het hoogste geluk zou kunnen leiden’. Lust heeft als tegenhanger verdriet en is zoiets vluchtigs dat het niet echt de moeite waard kan zijn.
Met rijkdom en eer staat het anders; hoe meer je er van bezit hoe gelukkiger je bent, maar het blijft iets heel onzekers.
Beter is het je toe te leggen op wetenschap om op die manier de hoogste menselijke volmaaktheid te bereiken en dat nog het liefst met alle mensen samen.
Dat betekent dat we ‘niet meer plezier moeten maken dan goed is voor onze gezondheid en niet meer geld en goederen moeten verwerven dan nodig is om gezond en veilig te leven’.

Daar is Spinoza dan ook bekend om geraakt -hij leefde uiterst sober- en dat heeft zijn filosofie tot op zekere hoogte ook aanvaardbaar gemaakt voor mensen die zijn ideeën totaal niet zagen zitten, m.n. zijn zgn. atheïsme.

Spinoza heeft verwoord wat de grondslagen dienen te zijn van de maatschappij.
Daartoe heeft hij veel studie verricht. Zijn bibliotheek omvatte ongeveer 160 boeken waarvan ongeveer 1/3 filosofie 1/3 bijbels en andere religieuze boeken en 1/3 maatschappij, macht en recht.

Spinoza heeft in feite slechts 1 boek uitgegeven tijdens zijn leven,
‘De beginselen van de wijsbegeerte van Descartes’, dat hij in eerste instantie geschreven had voor een leerling.
Zijn belangrijkste werken, de Ethica en het Theologisch-Politiek traktaat, zijn resp. niet uitgegeven en clandestien uitgegeven. Een ‘Staatkundig Vertoog’ is onvoltooid gebleven, doordat Spinoza voortijdig overleed.
De Ethica wordt pas na zijn dood in 1677 uitgegeven, samen met andere geschriften in de ‘Opera Posthuma’.
Dit boek wordt verboden en er ontstaan slechts clandestiene edities. Daarvan komen 10 drukken in een paar jaar tijds, en het werd in de dissidente wereld van toen heel goed en aandachtig gelezen.

De essentie van Spinoza’s denken:

In 1705 schrijft ene Johannes Aalstius:
‘Ondanks de strenge, afschrikwekkende façade van Spinoza ’s wiskundige methode zijn zijn essentiële ideeën in feite vrij eenvoudig te begrijpen, zelfs voor analfabeten en veelbetekenend genoeg voor zeer veel mensen aantrekkelijk.’
De fundamenten zijn;
1 De identificatie van God met de natuur, de natuur heeft zijn eigen orde
2 De verwerping van reguliere godsdiensten
3 Verwerping van hemel en hel samen met beloning en straf in het hiernamaals
4 Ethiek van het individuele geluk in het hier en nu
5 Er bestaat naast de natuur geen andere werkelijkheid; dus er is geen opstanding en wonderen bestaan niet.
6 De mens is onderdeel van de natuur en niet de heerser over de natuur zoals dat in de bijbel in genesis 1 wordt gezegd.

Ethica.

De Ethica is een zuiver filosofisch boek waarin God en natuur op een lijn staan, het is een monistische benadering van onze wereld, d.w.z. het gaat niet om tegenstellingen, zoals goed en kwaad, warm en koud, mooi en lelijk, maar om de eenheid van het bestaan.

Alles komt voort uit God/natuur; de wereld is volmaakt, het is zoals het is.
God heeft de natuur zo geschapen dat die zichzelf blijft vernieuwen.
Wij zijn sterfelijk, maar tegelijk leeft de mensheid voort. En zo is dat met alles wat bestaat; planten, dieren en ook de wereld zelf.
Spinoza gebruikt hiervoor het woord ‘conatus’, wat betekent: Ieder ding streeft er naar, zoveel het kan, in zijn bestaan te volharden.(DS 168)

God/natuur is geen superwezen dat willekeurig nog eens opnieuw iets kan scheppen of veranderen, nee, wat is is, en God zelf kan niet meer ingrijpen in zijn geschapen wereld, en het heeft dan ook geen zin tot hem te bidden of in opstand te komen.
We moeten ons God/natuur niet antropomorf of transcendent denken, maar immanent, dat is, in alles aanwezig.

God/natuur heeft ook geen moraal en kan ook niet zeggen of een mens iets goed doet of fout. En er kan dan ook geen sprake van zijn dat straffen en belonen iets Goddelijks zou kunnen zijn.
Mensen vinden iets goed of niet goed, maar in de natuur gaat dat niet op, de natuur zelf maakt geen fouten, die verloopt volgens de geschapen orde, heeft zijn vaste wetten, en wij kennen die wetten weliswaar niet allemaal, maar door wetenschap te beoefenen kunnen we daar achter komen.
Alles is oorzakelijk met elkaar verbonden en alles is altijd het gevolg van iets anders.

God/natuur is substantie, en die substantie heeft twee attributen/kenmerken/eigenschappen:
Uitgebreidheid en geest/verstand. En alles wat op aarde is heeft hier van meegekregen. Waarbij in elk geval de mensen beschikken over geest/verstand.
Daarmee zijn wij in staat te weten, te kennen en te begrijpen wie wij zijn en hoe de wereld in elkaar steekt.
Wij kunnen bewustzijn hebben.
Wij zijn zo geschapen dat we kunnen weten wat goed voor ons is, en dat we daar ook naar streven.
Alles en iedereen tracht in zijn bestaan te volharden (conatus), ieder mens weet wat voor hem belangrijk is.
Spinoza zegt het zo…’’.Het blijkt dus dat wij niets nastreven, willen, verlangen of begeren, omdat we van oordeel zijn dat het goed is, maar integendeel, wij noemen iets goed, omdat we er naar streven, verlangen en begeren’’. (St. 9.dl 3 opm.)

We weten dus wat nuttig is voor ons, en dat is het goede wat wij nastreven, dat is uiteraard niet voor ieder mens hetzelfde, maar we kunnen wel weten dat ieder mens zo in elkaar zit,en dus weet wat voor hem goed is.
En op basis van deze gedachte moet iedereen wel inzien hoe belangrijk het is om samen te werken en samen het goede/nuttige na te streven.

Spinoza formuleert het als volgt:
‘God/natuur heeft liefde en rechtvaardigheid in de harten van de mensen geplant’ en daarmee is de liefde de basis van onze samenleving.
Vanuit die liefde moet de rechtvaardigheid gedacht worden; als we elkaars belangen niet goed onderkennen zal een derde daarin moeten bemiddelen. (Denk b.v. aan Salomo en de 2 vrouwen die om hetzelfde kind vechten en niet meer in staat zijn het belang van de ander te zien.)

Dat bedoelt de bijbel dan met naastenliefde die van dezelfde orde moet zijn als de liefde voor jezelf.

Spinoza komt echter tot die conclusie op basis van zijn filosofie.
God liefhebben en je naaste als jezelf omdat je kunt weten wat goed is voor jou en voor een ander. Spinoza ziet dit als deugdzaam leven.
God/natuur lief hebben is voor hem de hoogste deugd.
Op deze manier kun je begrijpen dat met je verstand net zover kunt komen als met religie.
Dit is een veel directere relatie met God dan via de omweg van het geloof, maar deze weg is zeker niet voor iedereen weggelegd en daarom is het van groot belang dat de religie vele mensen houvast biedt.
Maar dan is het tevens van groot belang dat die religie het goede geloof onderwijst en niet vervalt in het aanleren van bijgeloof en onzinnige zaken.

Het grote verschil tussen filosofie en theologie is dat de kerk straf en beloning in het hiernamaals aanbiedt voor slecht of goed gedrag en dat Spinoza in zijn filosofie stelt, dat het doen van het goede, ‘deugdzaam- leven’, in zichzelf de beloning draagt, omdat je daar gelukkig van wordt. De keerzijde hiervan is dat wanneer je niet goed weet wat goed voor jou is, je daar ongelukkig van wordt, je zou kunnen zeggen dat dat de aardse straf is voor het niet-voldoen aan je eigen, persoonlijke mens-wording.

Deugdzaam leven is dus wat een mens moet doen. Spinoza begrijpt echter ook wel dat dat niet eenvoudig is, want mensen hebben emoties en gevoelens en die zijn dikwijls tegengesteld aan wat verstandig is.
De tweede helft van de ethica gaat hierover.
Spinoza ziet wel degelijk dat emoties enorm in de weg zitten om verstandig te kunnen handelen.
Maar als je niet beter weet ben je slaaf van je gevoelens.

De eerste zin van hoofdstuk 4 van de Ethica begint als volgt:
‘Het menselijk onvermogen om de hartstochten te matigen en te beteugelen noem ik slavernij. De mens die aan zijn affecten is onderworpen staat immers niet onder zijn eigen wetten, maar onder die van het lot.
Hij is zozeer in de macht van het lot dat hij dikwijls gedwongen is het slechte te volgen ook al ziet hij het betere’.

Hier is een heel hoofdstuk aan vooraf gegaan over hartstochten; dat zijn aandoeningen van het lichaam, waardoor het vermogen tot handelen wordt vermeerderd of verminderd.
Als ze van binnen uit ontstaan zijn ze altijd goed, maar als ze opgewekt worden door iets wat van buiten komt zijn het meestal lijdingen, soms goed en soms verkeerd.
Hartstochten zitten ons over het algemeen in de weg om goed te kunnen nadenken, en toch is dat de enige manier om tot goed handelen te komen.
Een ieder die door de rede wordt geleidt zal begrijpen dat wat hij aan goede dingen voor zich zelf wenst, hij ook aan anderen toewenst. Of zoals het spreekwoord (negatief) formuleert: Wat gij niet wilt dat U geschiedt doet dat ook een ander niet.

‘Die mens die zich niet door zijn hartstochten laat leiden, maar door de rede is een vrij mens’.

Tot zover deze essentie van Spinoza’s Ethica.

Het Theologisch Politiek Traktaat (TPT) is in feite een politiek manifest waarin Spinoza zijn ideeën ontvouwt over de inrichting van de Staat waarbij hij democratie als de beste regeringsvorm ziet en waarin de kerken en het geloof ondergeschikt zijn aan de politieke overheid.
(Eigenlijk beschrijft Spinoza het Poldermodel, avant la lettre).

In het TPT maakt Spinoza om te beginnen een diepgaande analyse van het Oude Testament en de opbouw van de staat Israel in die tijd.
Aan de hand van criteria die hij uit de bijbel zelf haalt toont hij b.v. aan dat de eerste vijf boeken van Mozes niet van zijn hand konden zijn en dus zeker niet door God/natuur geschreven konden zijn.

Zijn stelling is, dat de bijbel is geschreven, door veel verschillende mensen, naar het bevattingsvermogen van de mensen uit die tijd en ook met de beeldspraak die toentertijd gangbaar was begrepen werd.

De boeken van de bijbel zijn zeer divers van aard en gebruiken een beeldspraak, waarvan het dwaas zou zijn om alles in onze tijd nog letterlijk te nemen, wat vroeger heel anders werd geduid.

De bijbel ziet hij voornamelijk als een geschiedenis boek, waarin alle verhalen van het Joodse volk zijn opgetekend en waarin tevens hun verhouding tot God wordt geregeld.
Als zodanig is het Oude Testament ook het wetboek van de Joden waarin regels en wetten (zoals de 10 Geboden) zijn geformuleerd die de mensen tot gehoorzaamheid moet dwingen aan God en de overheden.
Dat gebeurt vooral met behulp van Profeten, die het volk op het rechte pad moeten houden en daarbij niet schromen grote dwang uit te oefenen en vrees aan te jagen.
De essentie van de bijbel, van zowel het oude als het nieuwe testament, ligt echter in de centrale boodschap van naastenliefde en rechtvaardigheid en gehoorzaamheid aan God.
En daarmee in feite ook gehoorzaamheid aan de politieke overheid, die in de oudtestamentische tijd meestal samen viel met de religieuze overheid.

Spinoza heeft zich in het bijzonder verdiept in het oude Israël, omdat in zijn tijd, het Nederlandse volk zich voor een groot deel identificeerde met dat volk uit de oudheid.
De strijd die zij leverden met hun vijanden leek in essentie op onze vrijheidsstrijd met Spanje.

Voor wat betreft Recht en Macht, neemt Spinoza zijn uitgangspunt in het oorspronkelijke natuurrecht van de mensen.

Voordat er staten en naties waren leefde ieder voor zich en de sterkste had de macht en dus ook het recht in handen. Macht was hetzelfde als recht.

Toen zich echter samenlevingen gingen vormen werden er afspraken gemaakt waarbij men delen van het eigen recht overdroeg aan anderen, b.v. de verdediging van huis en erf en zo ontstond een veiligheid die van bovenaf werd verleend en waaruit dus macht ontstond.
Maar er zijn volgens Spinoza, ‘ onvervreemdbare rechten’, die nooit overgedragen mogen en kunnen worden, op straffe dat mensen zich dan ongelukkig gaan voelen.
Dat is b.v.: Te mogen denken wat je wil en te mogen zeggen wat je denkt. Als je dat mensen afpakt worden ze opstandig en komen vrede en veiligheid in gevaar.






Spinoza houdt een hartstochtelijk pleidooi voor een democratisch politiek systeem dat hij later nog uitwerkt in een apart Staatkundig Vertoog, dat helaas onvoltooid is gebleven.
Daarin geeft hij duidelijk aan dat:
· Verdeling van de macht over velen de beste waarborg is tegen willekeur,
· Dat samenwerking op basis van het eigen belang centraal moet staan,
· Dat vrijheid van handelen en verantwoordelijkheid samenhangen,
· En dat tolerantie en gedogen noodzakelijke kwaliteiten zijn in zo’n bestel.

Hij schrijft letterlijk: “Wat men niet kan verhinderen, moet men toelaten, ook al volgt daaruit dikwijls schade. Hoeveel kwaad komt er immers niet voort uit verkwisting, afgunst,hebzucht, dronkenschap en dergelijke? Toch verdraagt men deze fouten- en dat zijn werkelijk fouten- omdat ze niet door het gezag der wetten verhinderd kunnen worden. Daarom moet de vrijheid van oordelen nog veel eerder toegestaan worden, want die is waarlijk een deugd en kan niet onderdrukt worden.”(TPT 430)
Spinoza ziet in de praktijk grote problemen zijn t.a.v. het functioneren van zo’n Staatsbestel, omdat de mensen er niet rijp voor zijn.
De mensen zijn door hun angsten en bijgeloof afhankelijk van de kerk.
De geestelijken in dit land, Protestants of Katholiek houden de mensen op die manier in hun macht.
Spinoza ziet de geestelijkheid als een oneigenlijke macht in de staat. Dominees, rabbijnen en imams, ze stellen allemaal de Wrekende God centraal; Hij straft wie zich niet aan de regels houdt. Angst en bijgeloof houden de mensen in het gareel.
In Spinoza’s visie kan God niet straffen, want God en natuur vallen samen, God is niet een soort supermens, die in de hemel zit en daar van alles regelt, integendeel, nadat de schepping in gang is gezet kan God zelf niet meer ingrijpen in de natuur. De natuur volgt zijn eigen wetten.
Wonderen kunnen dus niet voorkomen, dat zou een afwijking zijn van de wetten van de natuur.
Onwetendheid maakt mensen bijgelovig. Geloof in voortekenen is bijgeloof, maagdelijke geboorte is een fabel, er is geen hemel waar alles goed is of een hel waar je gaat branden.
Dit zijn allemaal vormen van bijgeloof waar overheden en vooral de kerk gebruik van maken om de mensen onder de duim te houden.
Citaat: “Het is waarlijk het grootste geheim van een monarchistisch bewind en alleszins in haar belang om de mensen dom te houden en de VREES waarmee men hen onder de duim houdt, MISLEIDEND godsdienst te noemen, zodat zij zich voor deze slavernij inzetten als betrof het hun eigen welzijn”.
Mensen die niet geleerd hebben vragen te stellen, die de twijfel niet kennen, zullen nooit vrij zijn om hun hersens te gebruiken. Zij zullen nooit kritisch zijn.
Tot slot nog vier citaten uit de TPT:

“Mijns inziens is het niet het doel van de staat om de mensen van redelijke wezens tot beesten of automaten te maken, maar wel om hen in staat te stellen om hun lichamelijke en geestelijke vermogens ongehinderd te ontwikkelen en in vrijheid hun rede te gebruiken. Zo zijn zij elkaar niet vijandig gezind en bestrijden zij elkaar niet achterbaks uit haat en woede’.

“Amsterdam b.v. plukt de vruchten van deze vrijheid blijkens zijn groei, die alle volken bewonderen. In deze bloeiende en bevoorrechte stadstaat leven immers mensen uit alle volken en met alle mogelijke geloofsovertuigingen eendrachtig samen”.

Een pleidooi voor gedogen, ‘Wat je niet kan verhinderen moet je toelaten, ook al levert dat nadelen op, je moet dat goed tegen elkaar afwegen, want soms zijn de nadelen groter dan de voordelen van een verbod’.
In Spinoza’s tijd ging het vooral om drukken, publiceren en verkopen van boeken en geschriften en vrijheid van godsdienstuitoefening.
In onze tijd over drugsbeleid en b.v. wapenbezit.

In algemene zin is het zo dat:
-Straffer optreden leidt tot meer verzet
-Doordat iets illegaal is heb je er minder grip op
-vrijheid schept een goed klimaat voor communicatie

‘De vrije mens denkt aan niets minder dan aan de dood en zijn wijsheid bestaat niet uit de bespiegeling van de dood, maar van het leven’.