Vriendenkring Spinoza

De waarde van een vriendenkring werd door Spinoza hoog aangeslagen, vandaar deze titel. Dit blog wil het inzicht vergroten in het denken van Spinoza. Spinoza's opvattingen over mens en maatschappij zijn in onze tijd nog uiterst waardevol en actueel. 'Ik gaf mij geheel over aan de lectuur van Spinoza en dacht, terwijl ik in mijn eigen binnenste keek, nooit zo duidelijk de wereld te hebben gezien'. Goethe

Naam:
Locatie: Amsterdam, Netherlands

Sinds een aantal jaren een zeer grote interesse in Spinoza en zijn betekenis voor onze tijd, zowel zijn opvattingen over de mens als de maatschappij en de politiek.

11 februari 2006

Voorrede Theologisch-Politiek Traktaat vertaling F.Akkerman 1997

Hieronder volgt t.b.v. de Workshop Spinoza de voorrede die Spinoza schreef voor zijn Theologisch-politiek Traktaat. Het is de bedoeling dat we die samen lezen op donderdag a.s. om 07.30 uur in de Boomspijker. Zie ook je mail voor een andere wijze van afdrukken als het soms niet goed gaat. Frank

Theologisch-Politiek Traktaat

Een aantal uiteenzettingen, waarin wordt aangetoond dat men de vrijheid van filosoferen niet alleen kan toestaan met behoud van de vroomheid en van de vrede in de staat, maar dat men haar niet kan opheffen zonder tevens de vrede in de staat en zelfs de vroomheid op te heffen.

[De eerste brief van Johannes, hoofdstuk 4, vers 13.
Hieraan onderkennen wij dat wij in God blijven en God in ons, dat hij ons van zijn geest gegeven heeft.]

VOORREDE

Als de mensen in staat waren al hun zaken volgens een vast plan te regelen of als het lot hun altijd goedgezind was, zou het bijgeloof geen vat op hen hebben.
Maar aangezien zij dikwijls zo in het nauw gedreven worden dat ze zich geen raad meer weten, en meestal jammerlijk heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees - doordat ze de onzekere gunsten van het lot zo mateloos begeren - zijn ze doorgaans al te zeer geneigd aan alles maar geloof te schenken.
Want zolang de menselijke geest in twijfel verkeert, slaat hij bij het minste of geringste naar deze of gene zijnde door, vooral wanneer hij opgejaagd door hoop en vrees aarzelt; in andere omstandigheden is hij weer vol overmoed, pochend en opgeblazen.

2 Ik denk dat ieder dit wel weet, ofschoon ik geloof dat de meesten zichzelf niet kennen. Want ieder die onder de mensen leeft, ziet wel dat de meesten, als het hun goed gaat, de wijsheid in pacht menen te hebben - ook al weten ze van niets - zozeer dat ze zich beledigd achten als iemand hun raad wil geven, maar dat ze in tegenspoed niet weten waar ze heen moeten: dan vragen ze iedereen smekend om raad en volgen elk advies dat ze te horen krijgen op, hoe dwaas, ongerijmd of ijdel het ook is. Voorts hopen ze nu eens, zelfs bij de kleinste aanleiding op beter, dan weer vrezen ze het ergste.
Want als de mensen in vrees verkeren en iets zien gebeuren dat hen doet denken aan een of ander goed of kwaad uit het verleden, houden ze dit voor een voorbode van een gelukkige of ongelukkige afloop en noemen het daarom een gunstig of ongunstig voorteken, ook al komen ze honderd maal bedrogen uit.
En als ze met grote verbazing iets ongewoons zien, geloven ze dat het een wonderteken is, dat op de toorn van de goden of van het Opperwezen wijst, en dus houden ze het voor een erge zonde de godheid niet met offers en geloften gunstig te stemmen, onderhevig aan bijgeloof en afkerig van godsdienst als ze zijn.
Op die manier verzinnen ze oneindig veel dingen en verklaren de hele natuur op de wondearlijkste wijzen, alsof die even krankzinnig was als zijzelf.

3 Daar het hiermee dan aldus gesteld is, zien wij dat vooral zij zich geheel overgeven aan iedere vorm van bijgeloof, die mateloos naar onzekere dingen verlangen: allen roepen ze, vooral wanneer ze in gevaar verkeren en zichzelf niet kunnen helpen, met geloften en weekhartige tranen goddelijke hulp in, en noemen de rede - omdat die geen zekere weg kan wijzen naar de ijdele dingen die ze begeren - blind, en menselijke wijsheid ijdel.
Daarentegen geloven ze in waanvoorstellingen van de verbeelding, in dromen en kinderachtige dwaasheden, als waren het goddelijke orakels, ja zelfs geloven ze dat God een afkeer heeft van de wijzen en dat hij zijn besluiten niet in de menselijke geest, maar in de ingewanden van het vee heeft geschreven, of dat zotten en bezetenen en vogels die verkondigen onder goddelijke inspiratie en bezieling. Zozeer brengt vrees de mensen tot waanzin.

4 De oorzaak dus van het ontstaan, het voortduren en het toenemen van het bijgeloof is de angst. Als iemand hiervan, naast het reeds gezegde, bijzondere voorbeelden verlangt, kan hij denken aan Alexander de Grote, die, uit bijgelovigheid, pas gebruik ging maken van waarzeggers, zodra hij in de Poort van Susis het lot leerde vrezen (zie Curtius, boek 5, § 4.).
Na zijn overwinning op Darius echter hield hij op offerzieners en waarzeggers te raadplegen, totdat hij ten tweeden male door de ongunst der omstandigheden verschrikt - immers de Bactriërs waren afgevallen en de Scythen zochten de strijd, terwijl hijzelf door een wond machteloos neerlag wederom (zoals Curtius zelf zegt in boek 7, § 7 [,8]) tot bijgeloof, deze begoocheling van de menselijke geest, verviel, en Aristander, aan wie hij de zeggenschap had gegeven over zijn lichtgelovigheid, opdroeg door offers de afloop der gebeurtenissen te onderzoeken.
En in deze trant zou men zeer veel voorbeelden kunnen aanvoeren, die juist dit volkomen helder aantonen: dat de mensen slechts zolang hun vrees duurt, te kampen hebben met bijgeloof, en dat alles wat ze in loze godsdienstigheid hebben vereerd, nooit uit iets anders heeft bestaan dan uit drogbeelden, waanvoorstellingen van een somber en angstig gemoed; ten slotte dat waarzeggers dán de meeste macht hebben uitgeoefend onder het volk en het meest te vrezen waren voor hun koningen, als de moeilijkheden voor de staat het grootst waren. Maar aangezien dit mijns inziens bij allen voldoende bekend is, wil ik er niet langer bij stilstaan.

5 Uit deze oorzaak nu van het bijgeloof volgt duidelijk dat alle mensen van nature eraan onderhevig zijn, wat anderen ook mogen zeggen, die menen dat dit komt doordat alle stervelingen een bepaalde verwarde voorstelling hebben van de godheid.
Verder volgt uit deze oorzaak dat het bijgeloof wel zeer wisselend en onbestendig moet zijn, zoals alle begoochelingen van de geest en opwellingen van blinde hartstocht, en, ten slotte, dat het alleen door hoop, haat, toorn en list verdedigd kan worden, daar het immers niet aan de rede, maar uitsluitend aan een emotie, en wel aan een zeer krachtige, ontspringt.
Zo gemakkelijk als de mensen dus in allerlei vormen van bijgeloof geraken, zo moeilijk is het anderzijds te bereiken dat ze in een en dezelfde vorm volharden.
Ja, omdat het gewone volk altijd even ongelukkig blijft, is het ook nooit lang rustig, maar vindt het steeds het meeste behagen in wat nieuw is en nog niet teleurgesteld heeft.
Het is deze onstandvastigheid die oorzaak is geweest van veel opstanden en gruwelijke oorlogen. Want, zoals uit het nu gezegde blijkt en zoals Curtius ook voortreffelijk heeft opgemerkt in boek 4, hoofdstuk 10 1,71, niets regeert de massa effectiever dan het bijgeloof.
Zo komt het dat het volk onder het mom van godsdienst er gemakkelijk toe gebracht wordt nu eens zijn koningen als goden te vereren, dan weer ze te vervloeken en ze als een pest van het hele mensdom te verafschuwen.

6 Teneinde nu dit kwaad te vermijden heeft men een buitengewone ijver
aan de dag gelegd om de ware godsdienst, of ook een loze, met pracht en praal van eredienst zodanig op te luisteren, dat zij van het allergrootste gewicht wordt geacht en altijd door allen met de grootste stiptheid wordt nageleefd.
De Turken hebben hierin het meeste succes gehad, doordat bij hen zelfs discussie voor een erge zonde geldt en zij op het oordeel van iedere enkeling met zoveel vooroordeel beslag leggen, dat er in de geest geen plaats meer overblijft voor het gezond verstand, zelfs niet om te twijfelen.

7 Zo moge het dan van het monarchale bewind het hoogste geheim zijn, ja geheel en al in zijn belang, om de mensen in dwaling te houden, en de vrees waarmee men hen moet beteugelen met de schoonklinkende naam van godsdienst te verbloemen - want zodoende strijden zij voor hun slavernij als ging het om hun heil en achten het niet een schande, maar de allerhoogste eer hun bloed en leven veil te hebben ter meerdere glorie van één man - maar voorwaar, in een vrije republiek kan niets onzaligers bedacht of beproefd worden!
Want het is volstrekt in strijd met de gemeenschappelijke vrijheid het vrije oordeel van de enkeling met vooroordelen in beslag te nemen of het op enigerlei wijze aan banden te leggen.
Wat de onlusten betreft die uiterlijk gezien door de godsdienst worden verwekt, waarlijk, die ontstaan alleen daardoor, dat er wetten worden uitgevaardigd over speculatieve zaken en dat meningen als misdaden strafbaar gesteld en veroordeeld worden, meningen, waarvan de verdedigers en volgelingen niet voor het algemeen welzijn, maar slechts aan de haat en de wreedheid van hun tegenstanders worden opgeofferd.
Als echter op grond van het recht van de staat alleen daden werden berecht en woorden ongestraft bleven, zouden nooit onder de schijn van recht dergelijke opstanden verheerlijkt worden en meningsverschillen zouden niet in opstanden verkeren.

8 Ons is nu dus het zeldzame geluk ten deel gevallen, dat wij leven in een staat waarin eenieder de onbeperkte vrijheid is toegestaan om te oordelen en God te vereren zoals het hem goeddunkt, en waarin niets als kostbaarder en dierbaarder wordt beschouwd dan de vrijheid.
Daarom heb ik gemeend dat het niet onwelkom zou zijn of zonder nut, als ik zou aantonen dat deze vrijheid niet alleen kan worden toegestaan met behoud van de vroomheid en van de vrede in de staat, maar dat zij bovendien slechts kan worden opgeheven samen met juist de vrede in de staat en de vroomheid.
Ziedaar het voornaamste wat ik mij voorgenomen heb in dit traktaat uiteen te zetten.
Hiertoe was het allereerst noodzakelijk de belangrijkste vooroordelen betreffende de godsdienst, dat wil zeggen de sporen van de oude slavernij, aan te wijzen, en vervolgens ook de vooroordelen betreffende het recht van de hoogste overheden.
Met brutale onbeschaamdheid trachten velen dit recht voor een groot deel naar zich toe te halen; onder het mom van godsdienst trachten ze de massa, die nog in de ban van heidens bijgeloof verkeert, van de overheid te vervreemden, opdat aldus alles weer tot slavernij vervalt. In welke volgorde dit alles wordt uiteengezet, zal ik nu in enkele woorden zeggen, maar eerst wil ik de redenen meedelen die mij tot schrijven hebben gebracht.

9 Het heeft mij dikwijls verbaasd dat mensen die er prat op gaan de christelijke godsdienst te belijden, dat wil zeggen liefde, vreugde, vrede, zelfbeheersing en trouw jegens allen, met uitzonderlijke heftigheid strijden en elkaar dagelijks met de bitterste haat bejegenen, zodat men hieraan ieders geloof gemakkelijker kan herkennen dan aan genoemde deugden.
Het is immers al lang zover gekomen dat men eigenlijk alleen maar kan zien wat iemand is - christen, Turk, jood of heiden - door zijn uiterlijke verschijning en kleding of doordat hij deze of gene kerk bezoekt of, ten slotte, doordat hij deze of gene mening is toegedaan en bij een of andere meester pleegt te zweren.
Voor het overige leiden allen hetzelfde leven.
Toen ik dan de oorzaak van dit kwaad zocht, heb ik er niet aan getwijfeld of het is daaruit voortgekomen dat het voor de massa een zaak van godsdienstigheid is geweest de bedieningen van de kerk als waardigheden te beschouwen en haar ambten als gunsten, en om de herders de allerhoogste eer te bewijzen.
Want zodra dit misbruik in de kerk een aanvang had genomen, werden juist de slechtsten van een geweldige begeerte vervuld om de heilige ambten te bekleden.
Zo ontaardde de liefde om de goddelijke religie te verbreiden in lage hebzucht en eerzucht, en verwerd de tempel tot een theater waar men geen kerkelijke leraren maar redenaars hoorde; men voelde niet meer het verlangen om het volk te onderwijzen, doch wilde het meeslepen tot bewondering voor zichzelf; men wilde andersdenkenden in het openbaar hekelen en alleen dat leren wat nieuw en ongewoon was en wat de grootste bewondering zou oogsten van de massa.
Hieruit moesten natuurlijk wel grote twisten, afgunst en haat voortkomen, die ook op de lange duur niet in hevigheid afnamen. Het is dan ook geen wonder dat er van de oude godsdienst niets is overgebleven dan de uiterlijke eredienst (waardoor het volk God meer lijkt te vleien dan te aanbidden), en dat het geloof niets anders meer is dan bijgelovigheid en vooroordeel.
Wat voor vooroordelen? - die welke de mensen van redelijke tot redeloze wezens maken, daar zij geheel verhinderen dat eenieder zijn vrije oordeelsvermogen uitoefent en het ware van het onware onderscheidt, vooroordelen die met opzet lijken te zijn uitgedacht als om het licht van het verstand volkomen uit te doven.
De vroomheid en de religie, o, onsterfelijke God, bestaan uit ongerijmde mysteriën, en wat het allerergste is, zij die de rede totaal minachten en het verstand als van nature bedorven verwerpen en verafschuwen, van hen gelooft men dat zij een goddelijk licht hebben.
Als ze werkelijk ook maar een sprankje goddelijk licht hadden, zouden ze niet zo verwaten tekeergaan, maar leren om op een verstandiger wijze God te eren, om niet door haat maar integendeel door liefde boven anderen uit te blinken, om niet met een zo vijandige gezindheid hen die anders denken dan zijzelf te vervolgen, maar
veeleer medelijden met hen te hebben - als ze tenminste om hun heil bekommerd zijn en niet om hun eigen positie. Bovendien, als ze enig goddelijk licht hadden, zou dat althans uit de leer moeten blijken.
Toegegeven, zij hebben altijd een mateloze bewondering voor de zeer diepe mysteriën van de Schrift gehad, maar toch zie ik niet dat zij ooit iets anders hebben onderwezen dan de speculaties van de Aristotelianen en Platonisten.
En daaraan hebben ze dan de Schrift aangepast, om niet de indruk te wekken de heidenen na te lopen.
Het was hun niet genoeg zelf met de Grieken te dazen: ze wilden ook de profeten met hen doen raaskallen.
Dit maakt volkomen duidelijk dat zij de goddelijkheid van de Schrift zelfs in de droom niet zien.
En hoe vuriger zij bedoelde mysteriën bewonderen, des temeer maken ze duidelijk dat ze de Schrift niet zozeer geloven. als wel lippendienst aan haar bewijzen.
Dit blijkt ook hieruit dat de meesten als grondslag aannemen (namelijk om de Schrift te begrijpen en haar ware bedoeling bloot te leggen) dat zij overal waarachtig en goddelijk is, iets wat nu juist uit het begrijpen en het streng onderzoeken van de Schrift pas zou moeten blijken.
Datgene wat wij uit haarzelf, die menselijke verzinsels allerminst nodig heeft, veel beter zouden kunnen leren, dat poneren zij dadelijk bij de aanvang als norm voor haar interpretatie.

10 Dit overwoog ik dus bij mijzelf en ik bemerkte dat het natuurlijk licht niet slechts versmaad wordt, maar door velen als de bron van goddeloosheid wordt veroordeeld, voorts dat menselijke bedenksels voor goddelijke leerstukken worden gehouden, dat bijgelovigheid als geloof wordt beschouwd en dat geschilpunten van de filosofen in kerk en 's lands vergaderzaal met de grootste heftigheid worden behandeld, en dat daaruit de allerbitterste haat en tweedracht voortkomen, waardoor de mensen licht tot oproer worden gebracht, en nog veel andere dingen, die mij te ver zouden voeren als ik ze hier wilde verhalen.
Ik nam daarom het ernstige besluit de Schrift opnieuw onbevooroordeeld en vrijmoedig te onderzoeken en niets over haar te beweren noch iets als haar leer te aanvaarden, dat ik niet zeer duidelijk van haarzelf zou leren.
Onder deze strikte voorwaarde stelde ik een methode op voor het interpreteren van de heilige Schrift, en daarmee gewapend begon ik allereerst te vragen wat profetie was en op welke wijze God zich aan de profeten heeft geopenbaard en waarom zij God aangenaam zijn geweest.
Omdat zij over God en de natuur diepzinnige gedachten hebben gehad of alleen vanwege hun vroomheid?
Toen ik dit eenmaal wist, heb ik gemakkelijk kunnen vaststellen dat het gezag van de profeten alleen gewicht heeft in dingen die betrekking hebben op de praktijk van het leven en de ware deugdzaamheid, maar dat voor het overige hun meningen ons weinig raken.
Nadat ik tot dit inzicht was gekomen, onderzocht ik vervolgens om welke reden de Hebreeën de uitverkorenen Gods zijn genoemd.

Toen ik had gezien dat dit geen andere geweest is dan omdat God voor hen een bepaalde streek in de wereld had uitgekozen waar zij veilig en geriefelijk konden leven, leerde ik hieruit dat de wetten, door God aan Mozes geopenbaard, niets anders zijn geweest dan het recht dat speciaal gold in de soevereine staat der Hebreeën en dat dus behalve zij niemand het had hoeven aannemen, ja dat ook zij er alleen door gebonden waren zolang hun staat bestond.
Vervolgens wilde ik weten of uit de Schrift kon worden afgeleid dat het menselijk verstand van nature bedorven is, en ik stelde daartoe de vraag of de algemeen geldende godsdienst, dat wil zeggen de goddelijke wet die door de profeten en de apostelen aan het gehele menselijke geslacht is geopenbaard, een andere is geweest dan die welke ook het natuurlijk licht ons leert.
En vervolgens of er wonderen in strijd met de orde van de natuur zijn gebeurd en of zij ons het bestaan en de voorzienigheid Gods met meer zekerheid en duidelijkheid leren dan de dingen die wij helder en onderscheidend via hun eerste oorzaken begrijpen.
Maar toen ik in de dingen die de Schrift nadrukkelijk leert niets had gevonden dat niet met het verstand overeenkomt en niets dat ermee in strijd is, en toen ik verder zag dat de profeten alleen maar zeer eenvoudige dingen hebben geleerd, die voor iedereen gemakkelijk te begrijpen waren, en dat ze zich daarbij bediend hebben van een schrijftrant en argumenten die het allermeest geschikt waren om de massa tot vroomheid jegens God te brengen, kwam ik geheel en al tot de overtuiging
dat de Schrift de rede absoluut vrijlaat en niets gemeen heeft met de filosofie, maar dat ze beide, zowel de Schrift als de filosofie, op eigen benen staan.
Om dit overtuigend te bewijzen en de zaak geheel te bepalen, laat ik zien op welke wijze de Schrift moet worden verklaard, en dat de kennis van de Schrift en van de geestelijke dingen geheel uit haarzelf en niet uit de dingen die wij door het natuurlijk licht kennen, gehaald moet worden.
Daarna ga ik over tot het aanwijzen van de vooroordelen die daaruit zijn voortgekomen, dat het gewone volk - overgegeven aan bijgeloof en meer gehecht aan de overblijfselen uit de [eindige] tijd dan aan de eeuwigheid zelf - liever de boeken van de Schrift aanbidt dan Gods eigen woord.
Vervolgens toon ik aan dat het geopenbaarde woord Gods niet bestaat uit een bepaald aantal boeken, maar uit een eenvoudig begrip van de aan de profeten geopenbaarde goddelijke geest, namelijk dat men God met een oprecht gemoed moet gehoorzamen door rechtvaardigheid en liefde te betrachten.
En ik laat zien dat dit in de Schrift: geleerd wordt in overeenstemming met het bevattingsvermogen en de meningen van hen tot wie de profeten en de apostelen dit woord van God plachten te prediken.
Zij deden dit daarom zo, opdat de mensen dit woord zonder enig verzet en met oprecht gemoed zouden aanvaarden.

11 Nadat ik vervolgens de grondslagen van het geloof heb bepaald, bereik ik ten slotte de conclusie dat de inhoud van de geopenbaarde kennis niets anders is dan gehoorzaamheid en dat zij dus van de natuurlijke kennis zowel naar inhoud als in grondslagen en middelen geheel te onderscheiden is en niets met haar gemeen heeft: de geopenbaarde en de natuurlijke kennis moeten hun geldigheid elk op hun eigen gebied behouden - zonder dat ze met elkaar in strijd zijn - en de een moet niet dienstbaar zijn aan de ander.

12 Aangezien voorts de aard van de mensen zeer verschillend is, zodat de één bevrediging vindt in deze soort van meningen, de ander in die, en dat wat de één tot godsdienstigheid opwekt de ander doet lachten, concludeer ik daaruit, alsmede uit wat boven reeds gezegd is, dat aan eenieder de vrijheid van zijn oordeel en de bevoegdheid om de grondslagen van het geloof naar zijn eigen aard uit te leggen, gelaten moet worden, en dat eenieders geloof uitsluitend uit zijn werken beoordeeld moet worden, namelijk of het vroom is of niet. Want zo zullen allen met een oprecht en vrij gemoed God kunnen gehoorzamen en zullen alleen rechtvaardigheid en liefde bij allen in aanzien staan.

13 Nadat ik hiermee de vrijheid die de geopenbaarde goddelijke wet aan
eenieder toestaat, heb aangetoond, ga ik over tot het tweede deel van het vraagstuk, namelijk dat deze zelfde vrijheid met behoud van de vrede in de staat en van het recht van de hoogste overheden kan en ook moet worden toegestaan, en dat zij niet kan worden weggenomen zonder groot gevaar voor de vrede en grote schade voor het gehele staatsbestel.
Om dit te bewijzen ga ik uit van het natuurlijk recht van eenieder: dit strekt zich namelijk zover uit als ieders begeerte en kracht zich uitstrekt, en niemand wordt krachtens het natuurrecht verplicht naar de zin van een ander te leven, maar ieder is de verdediger van zijn eigen vrijheid.
Verder laat ik zien dat niemand werkelijk van dit recht afstand doet, behalve degene die de bevoegdheid om zich te verdedigen aan een ander overdraagt, en dat noodzakelijkerwijs diegene dit natuurrecht volstrekt in handen heeft, aan wie eenieder zijn recht om volgens zijn eigen aard te leven, samen met de bevoegdheid om zich te verdedigen, heeft overgedragen.
Daarna toon ik aan dat zij die de hoogste macht in handen hebben, recht hebben op alles waartoe ze in staat zijn, dat alleen zij de verdedigers van recht en vrijheid zijn en dat de anderen alles alleen krachtens hun besluit moeten doen.
Aangezien echter niemand zichzelf zo van zijn bevoegdheid om zich te verdedigen kan ontdoen dat hij ophoudt mens te zijn, kom ik tot de conclusie dat niemand volstrekt beroofd kan worden van zijn natuurlijk recht, maar dat de onderdanen als het ware krachtens het natuurrecht bepaalde rechten houden, die hun niet ontnomen kunnen worden zonder groot gevaar voor de staat, en die hun dus ofwel stilzwijgend worden toegestaan, of die zijzelf uitdrukkelijk bedingen bij de machthebbers.

14 Na deze beschouwingen ga ik verder met het staatsbestel der Hebreeën.
Om duidelijk te maken hoe en door wier beslissing de godsdienst kracht van wet gekregen heeft beschrijf ik dit staatsbestel - en in het voorbijgaan ook andere dingen die de moeite van het weten waard lijken - tamelijk uitvoerig.
Hierna toon ik aan dat zij, die de hoogste macht in handen hebben, de verdedigers en uitleggers zijn niet alleen van het [profane] positief recht, maar ook van het sacrale, en dat zij alleen het recht hebben om te beslissen wat rechtvaardig en onrechtvaardig is, wat vroom is en wat niet.
Ten slotte concludeer ik dat ze dit recht het best kunnen vasthouden en hun macht veilig kunnen handhaven door aan eenieder toe te staan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.
Dit is het, wijsgerige lezer, wat ik hier aan uw oordeel onderwerp.

15 Ik vertrouw dat het niet onwelkom zal zijn vanwege de deugdelijkheid en het nut van de stof, zowel van het hele werk als van ieder hoofdstuk apart.
Ik zou er hier nog meer aan toe kunnen voegen, maar ik wil niet dat deze voorrede tot een boekdeel uitdijt, temeer niet omdat het voornaamste de filosofen, naar ik meen, maar al te bekend is, en aan anderen zou ik deze verhandeling niet willen aanbevelen, want er is niets in waarvan ik mag hopen dal het hun op enigerlei wijze zou behagen.
Ik weet immers hoe hardnekkig de vooroordelen die het gemoed onder het mom van vroomheid heeft aanvaard, in de geest beklijven.
Ik weet ook dat het even onmogelijk is het volk het bijgeloof te ontnemen als de vrees.
Ten slotte weet ik dat de standvastigheid van het volk neerkomt op hardnekkigheid en dat het niet door de rede wordt bestuurd, maar door een opwelling zich laat meeslepen om te prijzen of af te keuren.
Het volk dus en allen die evenals het volk door dezelfde hartstochten worden geteisterd, nodig ik niet uit om dit te lezen.
Ja, ik zou liever willen dat ze aan dit boek in het geheel geen aandacht schonken dan dat ze last zouden veroorzaken door het verkeerd uit te leggen, zoals ze dat met alles plegen te doen.
Daarmee zouden ze zelf niets winnen en anderen benadelen, anderen, die vrijmoediger zouden filosoferen, als dit ene hun maar niet in de weg stond:
hun mening dat de rede dienstbaar moet zijn aan de theologie.
Want voor dezen zal dit werk naar ik vertrouw zeer nuttig zijn.

16 Velen zullen noch de tijd noch misschien de lust hebben alles door te lezen, vandaar dat ik hier, evenals aan het slot van deze verhandeling, erop moet wijzen dat ik niets schrijf wat ik niet zeer gaarne aan het kritisch oordeel van de hoogste overheden van mijn vaderland zou onderwerpen. Want als zij zullen oordelen dat iets van wat ik zeg in strijd is met de wetten van mijn vaderland of schadelijk is voor het algemeen welzijn, dan wil ik dat dit ongezegd is.
Ik weet dat ik een mens ben en heb kunnen dwalen, maar ik heb mijn uiterste best gedaan dat ik niet zou dwalen, en bovenal dat al wat ik schreef geheel in overeenstemming zou zijn met de wetten van het vaderland, de vroomheid en de goede zeden.
[ ... ]